Toespraak mr G.P. Wempe, deken arrondissement Leeuwarden ter gelegenheid van installatie van mr W.S. Sikkema tot rechter en mrs J.T.D. Stoffels en S.T. Kooistra tot officieren van justitie, op vrijdag 4 november 2011 in de rechtbank Leeuwarden
“Doe eens normaal man”. Dat beet de heer Wilders premier Rutte toe tijdens de afgelopen algemene beschouwingen. De heer Rutte stelde een uitspraak van een PVV-er aan de orde waarin de Turkse premier Erdogan zou zijn uitgemaakt voor een islamitische aap. Wilders corrigeerde dit en gaf aan dat gezegd was dat de spreekwoordelijke aap uit de mouw was bedoeld: de islamitische aap was uit de mouw gekomen. De heer Wilders was geërgerd over het onjuiste verwijt en flapte eruit: “doe eens normaal man”, even later gevolgd door “doe eens normaal en rustig man” waarop de verbaasde en enigszins aangeslagen heer Rutte niet geheel overtuigend antwoordde: “ik ben hier volkomen rustig”
Mijnheer de president, leden van de rechtbank, mevrouw de hoofdofficier, te installeren rechter en officieren en hun vrienden, kennissen en trotse familieleden,
Ik wil vandaag aandacht geven aan taalverruwing in het openbare debat. Ik ben begonnen met een recente woordenwisseling in de Tweede Kamer, die de meesten van u wel meegekregen zullen hebben. Natuurlijk is enig spektakel altijd welkom en de media zijn er dan ook bovenop gesprongen. Wat de heer Rutte toegebeten werd, was echter niet heel netjes. Welbeschouwd suggereert de uitspraak “doe eens normaal man” dat de aangesprokene abnormaal is en de uitspraak is daarmee diskwalificerend, en dit staat nog los van de gekozen straattaal.
In meerdere commentaren is aandacht gegeven aan dit incident en is zorg uitgesproken over de verruwing van het parlementaire debat, waarin op de man gespeeld wordt (denk ook aan de heer Cohen die met een poedel werd vergeleken) en het er enkel maar om lijkt te gaan het eigen gelijk, zonder respect voor anderen, voor het voetlicht te brengen.
Ik wil daar iets over zeggen, maar zal me gelijk een redelijk bekwaam schoenmaker mij bij mijn eigen leest houden en me beperken tot het debat binnen de rechtszaal. Want ook daar treedt verruwing op, althans wordt dat meer zichtbaar.
Niet altijd is dat even schokkend. Zo werd mij enige tijd geleden gemeld dat een advocaat bij het verlaten van de rechtszaal de rechter groette met “doei”.
Ernstiger waren de opmerkingen van mr Bram Moskowicz enkele jaren terug, die het duidelijk niet eens was met het door hem verloren kort geding tegen Jort Kelder die hem een maffiamaatje had genoemd. De voorzieningenrechter oordeelde dat het feitenmateriaal voldoende steun bood voor de beschuldiging van maffiamaatje. Het kwam er dus op neer dat de rechter niet eens zozeer van mening was dat Moskowicz niet uitgemaakt mocht worden voor maffiamaatje, hij vond zelfs dat het scheldwoord op zijn plààts was. Moskowicz was laaiend en oordeelde het vonnis op een persconferentie “abject en infaam”. Weliswaar was dit buiten de rechtszaal en betrof het Moskowicz persoonlijk, de gekozen bewoordingen duidden echter op weinig respect voor de rechtspraak door een advocaat. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat in hoger beroep Moskowicz wel in zijn gelijk werd gesteld en de term maffiamaatje alsnog onrechtmatig jegens hem werd geoordeeld.
Van vrij recente datum is de zaak Enait. Enait is een Rotterdamse advocaat die weigerde op te staan voor de rechtbank nadat de bode daartoe had opgeroepen. De kwestie heeft veel aandacht gekregen. Over de weigering om op te staan ga ik nu niet in en evenmin op het merkwaardige hoofddeksel waarover de Rotterdamse deken een klacht had geuit bij de Raad van Discipline. De deken had ook geklaagd over het taalgebruik van Enait, overigens ook buiten de rechtszaal.
Enait had over de rechter, die een voor hem persoonlijk ongunstig vonnis had gewezen, in een televisieprogramma gezegd dat hij ‘… waarschijnlijk uit een of ander boerengat is gekropen …’. Enait legde dat ter zitting als volgt uit: “Met boerengat bedoel ik wat ik eerder heb gezegd. Rechters wonen vaak buiten de stad. Boeroe betekent in het Surinaams: blanke man.” Dus een plaats waar blanke mannen wonen.
Het hof van Discipline merkt droog op: “het hof acht deze uitleg ontoereikend”. Maar vervolgt: “Echter moet ook in aanmerking worden genomen dat verweerder persoonlijk, niet als advocaat, bij de rechtszaak was betrokken, dat het in die zaak handelde om een persoonlijke en principiële kwestie die verweerder emotioneel zal hebben geraakt, dat verweerder nog geen maand advocaat was en die hoedanigheid tijdens het interview slechts terloops aan de orde was en dat het gesprek niet alleen werd gevoerd met de interviewers maar ook in aanwezigheid van een confronterend optredende mede-gast (Mw Verdonk, gw). Het hof kwalificeerde de uitlating niet als onbetamelijk.”
Het is absoluut niet zo, dat binnen de advocatuur een polariserende houding richting de rechter wordt voorgestaan. Integendeel, al moet wel gezegd worden dat men daar vroeger duidelijker in leek dan nu. Uit het handboek voor advocaten, de gids voor de praktijk, uit 1960, worden interessante aanwijzingen gegeven aan de advocaat tegenover de rechter.
“Wie altijd in conflict met de rechter raakt, moet zich realiseren dat hij een onjuiste wijze van handelen moet hebben.
(…)
Dat men niet zo moet optreden dat men min of meer scherpe persoonlijke discussies met de rechter krijgt, betekent niet, dat men zich nu alles moet laten welgevallen. Ook rechters zijn mensen, die met een slecht humeur kunnen opstaan, of die geïrriteerd kunnen zijn over een bepaalde houding van de advocaat, door diens wijze van spreken of door formulering van zijn opmerkingen. Het is herhaaldelijk voorgekomen dat rechters op minder juiste wijze tegen advocaten zijn opgetreden en dat geldt nog meer voor de leden van het O.M., die soms op een strafzitting niet de juiste toon tegen de raadsman hebben.
(…)
Een waardige wijze van reageren tegen een minder juiste opmerking van de overzijde van de groene tafel kan niemand schaden. Men moet echter ervoor waken geen querulant te worden, die overal onrecht meent te bespeuren dat hem wordt aangedaan. Dat komt ook, in milde vorm, bij de advocatuur voor.
(…)
Bij de rechtbank waar men als procureur (advocaat) staat ingeschreven moet men een grotere matiging betrachten in zijn protesten dan bij rechtbanken waar men uiteraard zelden komt. Indien dat in een bepaald geval nodig mocht zijn, kan men misschien daar iets scherper de zaak stellen dan voor zijn eigen Rechtbank en Hof”.
U ziet, de goede wil is er wel. Maar er is ook de vrijheid van meningsuiting die door de tuchtrechter vrij absoluut wordt geïnterpreteerd. Daarnaast is er de voor de advocatuur belangrijke kernwaarde van de onafhankelijkheid die hier een rol speelt. Een advocaat behoort vrij te zijn in de wijze waarop hij zijn vak uitoefent. De rechtzoekende moet kunnen rekenen op een volledig onafhankelijke advocaat in onze rechtstaat. Deze onafhankelijke advocatuur, met name ten opzichte van de rechtspraak, is onlangs herdacht in aanwezigheid van ZKH Prins Willem Alexander. Het is dit jaar 200 jaar geleden dat bij keizerlijk decreet – Nederland was toen ingelijfd bij het franse keizerrijk – de advocatuur het recht kreeg zich te organiseren en zelf regels mocht opstellen voor toetreding en opleiding.
Daarvòòr, in de tijd van de Republiek der Nederlanden, vielen advocaten onder de rechtsmacht van rechtbanken, die tuchtrechtelijke sancties konden opleggen aan de advocaten. Met het decreet in 1811 verdween deze ondergeschiktheid en gold onafhankelijkheid. Deze wordt wezenlijk geacht voor de advocatuur. Zo bepaalt in de bestaande discussie over een nieuw toezichtmodel voor de advocatuur deze onafhankelijkheid de grenzen van het toezicht.
Er is daarom ook veel te zeggen voor een advocaat die geen blad voor de mond hoeft te nemen, ook al voelt dat lang niet altijd bij iedereen goed. De uitspraken door Moskowicz en Enait zullen door veel advocaten met gekromde tenen zijn aangehoord. Als juristen zijn we geneigd om te berusten in een rechterlijke uitspraak zoals het hof van discipline in de zaak Enait heeft gedaan. De rechter heeft immers het laatste woord. Toch is dàt maar de vraag. De maker van kwetsende opmerkingen kan - ook na een rechterlijk oordeel in zijn voordeel - hierop altijd aangesproken worden. We zagen dat Enait al tijdens de zitting de scherpste kantjes van zijn opmerkingen eraf probeerde te halen. Als we taalverruwing in onze omgeving een probleem vinden, dan kunnen we dat uitspreken, als collega’s, ook al is wellicht geen sanctie mogelijk. Maar overeind blijft en daar sluit ik mee af, meneer de President, dat een advocaat vrij blijft in zijn optreden als advocaat en daarbij ook polariserend mag zijn.
Ik wens namens de Raad van Toezicht de mrs Sikkema, Stoffels en Kooistra geluk met hun installatie tot rechter respectievelijk officieren van justitie.